| Door Jacqueline CramerDoelstelling van 10% hoeft voedselproductie en ontwikkelingslanden niet te schaden Steeds meer opiniemakers willen dat Europa het beoogde aandeel biomassa in motorbrandstoffen (10 in 2020) flink naar beneden bijstelt of zelfs een moratorium afkondigt. Soms gaat het om functionarissen bij landbouworganisaties als de Franse Confédération Paysanne, dan weer om mensen bij milieugroeperingen als Greenpeace en de laatste tijd ook om enkele VN-adviseurs. De critici motiveren hun pleidooi steeds met dezelfde stelling: de stijging van de wereldvoedselprijzen wordt vooral veroorzaakt doordat vruchtbare gronden steeds meer worden gebruikt voor het telen van gewassen waaruit biobrandstoffen worden gemaakt. Hiertoe worden mooie ('een volle maag gaat boven een volle tank') en minder mooie ('misdaad tegen de menselijkheid') emotionele argumenten gebruikt.Er is iets mis in die beweringen. Uit alle recent gepubliceerde wetenschappelijke rapporten blijken er heel andere oorzaken te zijn voor de stijgende voedselprijzen. Om te beginnen zijn er eenvoudige feitelijke ontwikkelingen als de toename van de wereldbevolking en de toename van vleesconsumptie in vooral China, waardoor een groot areaal landbouwgrond voor diervoeder wordt vrijgemaakt. Verder werkt de wereldmarkt niet goed, onder andere door subsidies aan de eigen boeren, importtarieven, dure transportkosten door de hoge olieprijzen, achtergebleven investeringen in verband met de lage voedselprijzen en misschien zelfs wel speculatie. Want voedsel is uiteindelijk ook gewoon handel. Nog een heel bijzondere oorzaak in dit verband is de klimaatverandering. Veel voedseloogsten gaan verloren door uitdroging of overstromingen. En juist om die klimaatverandering en alle gevolgen daarvan een halt toe te roepen moeten we niet-fossiele energiebronnen vervangen door onder andere biobrandstoffen.Het is niet zo dat het Europese doel voor het aandeel biobrandstoffen op gespannen voet staat met de voedselproductie. De genoemde critici laten steeds weg - ik hoop onbewust - dat de EU het 10%-doel alleen wil bereiken, als voldaan is aan de duurzaamheidseisen. Deze eisen betekenen dat de biobrandstoffen veel minder CO2 moeten uitstoten. De Europese Commissie zegt 35%, Nederland loopt een beetje harder en vindt 50% het minimum. Maar die eisen zeggen ook dat de voedselvoorziening en biodiversiteit niet in het geding mogen zijn. En daar moet ook controle op zijn. Ik heb veel andere EU-lidstaten bereid gevonden mij te steunen in de eis om elke twee jaar streng te controleren of de voedselprijzen toch niet onverhoopt stijgen door verdringing voor biobrandstoffen. En mocht het toch, wetenschappelijk onderbouwd, vast komen te staan dat er wel sprake is van een stijging van de voedselprijzen door biobrandstoffen, dan hebben we natuurlijk een heel nieuwe situatie waar we adequaat op moeten reageren. Dat heb ik de Tweede Kamer ook toegezegd tijdens een recent debat over deze problematiek.Aan die ontwikkeling van de controle-eisen heb ik vóór en tijdens mijn ministerschap al flink gewerkt. Vervolgens heb ik deze eisen samen met mijn Britse en Duitse collega met succes bij de Europese Commissie bepleit. Van de Tweede Kamer heb ik ook nog eens een duwtje in de rug gekregen met de uitspraak dat minimaal aan deze 'Cramer-criteria' voldaan moet zijn. Vorige week heb ik van mijn Oeso-collega's in Parijs ook nog eens alle bijval gekregen voor mijn pleidooi voor wereldwijd aanvaarde duurzaamheidscriteria. Deze eisen zijn niet voor niets gesteld. Met eigen ogen hebben mijn collega Koenders en ik voorafgaande aan de klimaatonderhandelingen op Bali de effecten van kaalslag en branden gezien voor de arme boeren in Indonesië. Ook merk ik op dat de gesubsidieerde massale maïsproductie in de Verenigde Staten bij lange niet aan de Europese CO2-sleutel kan voldoen.Heel anders is het gesteld met bio-ethanol uit Braziliaans suikerriet. Brazilië wil uitsluitend duurzame biobrandstoffen via Rotterdam naar Europa exporteren. De komende maanden gaan Nederland en Brazilië verdere afspraken maken over garanties dat het Amazonegebied niet direct of indirect wordt aangetast - de suikerrietplantages liggen 2500 kilometer verwijderd van dat gebied. Ook wordt afgesproken dat de gronden niet beschikbaar zijn of waren voor voedingsgewassen. Daarnaast gaat Nederland met Argentinië (soja) en Maleisië (palmolie) vergelijkbare afspraken maken om duurzaamheid te garanderen. In ontwikkelingslanden als Indonesië en Mozambique ben ik samen met collega Koenders proefprojecten aan het opzetten voor het opwekken van duurzame energie door de lokale boeren voor de lokale bevolking. En dan gaat het niet alleen om biobrandstoffen.In plaats van afhankelijkheid van fossiele brandstoffen zijn er door de gunstige natuurlijke omstandigheden juist nu in ontwikkelingslanden mogelijkheden voor duurzame energievormen, ook voor de kleine boeren en landgebruikers. Het is niet zo dat het Europese doel voor het aandeel biobrandstoffen op gespannen voet hoeft te staan met de voedselproductie of met de belangen van de armen in ontwikkelingslanden. Mits duurzaam geproduceerd, kan de teelt voor biobrandstof juist een kans geven aan landen die nog niet profiteren van de groei in nieuwe markten.De EU houdt dan ook vast aan het 10%-doel. Mits de CO2-uitstoot fors naar beneden gaat, mits het oerwoud er niet voor wordt gekapt en mits de voedselvoorziening er niet de dupe van is. Veel andere EU-lidstaten steunen mij in de eis om elke twee jaar streng te controleren of nog steeds aan die eisen wordt voldaan. Jacqueline Cramer is minister voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu.Copyright (c) 2008 Het Financieele Dagblad |